Wildakkers en bloemenweides

Biodiversiteitsakkers of wildakkers zijn akkers of akkerranden die ingezaaid worden met een mengsel van akkerkruiden, akkerbloemen, grassen en oude landbouwgewassen. Ze hebben geen economisch nut, maar worden ingezaaid om voedsel- en schuilmogelijkheden te creëren voor dieren. Het zaadmengsel van een biodiversiteitsakker is zo samengesteld dat achtereenvolgens verschillende soorten in bloei komen. Zo staat de akker de hele zomer en herfst in bloei.

In Oudsbergen zijn er enkele akkers en akkerranden die dienst doen als wildakker, maar er zijn ook enkele mooie bloemenweides die door de dienst werken van de gemeente werden aangelegd. Een bloemenweide bestaat uit een inheems kruidenmengsel en hoeft niet op een akker worden ingezaaid. Ze hebben ook heel wat voordelen voor de biodiversiteit.

bloemenweide
Bloemenweide naast de begraafplaats in Meeuwen (Vredestraat)

Waarom worden wildakkers of bloemenweides aangelegd?

Vandaag de dag worden veel akkers ingenomen door maïs. Maïs is een nuttig voedselgewas in de landbouw, maar in het wild levende dieren maken er weinig gebruik van.  Door de specifieke samenstelling van biodiversiteitsakkers en bloemenweides vindt een grote groep  dieren er een heel jaar door voedsel en beschutting. Tijdens de winter liggen klassieke akkers er kaal bij, maar de wildakkers blijven de hele winter staan. Zo blijven de dieren profiteren van het voedsel en de beschutting die deze akkers bieden in moeilijkere tijden.

Een groep die het bijzonder moeilijk heeft de laatste jaren is de bijenpopulatie: enerzijds door ziektes en parasieten en anderzijds door een te weinig en onvoldoende gevarieerd aanbod aan stuifmeel en nectar. In de biodiversiteitsakkers en bloemenweides bloeien verschillende soorten vanaf het voorjaar tot de herfst, zodat er steeds nectar en stuifmeel beschikbaar is voor onze zwart-gele vrienden.

Voor wie zijn ze?

De bloemen en kruiden trekken heel wat ongewervelden aan zoals vlinders, bijen en hommels die zich te goed doen aan de nectar. Tal van vogelsoorten bezoeken de akkers en weides voor de zaden en de insecten. Grondbroeders, zoals de patrijs, kunnen er hun jongen in groot brengen. Ze profiteren van het groot  insectenaanbod en kunnen er schuilen bij koud en nat voorjaarsweer.